Info Panel
U bent hier:   Home  /  Historie  /  1795 – Geschiedenis van Salland
  • Salland

1795 – Geschiedenis van Salland

Van oudsher is Overijssel verdeeld in drie gebieden; Salland, Twente en Vollenhove.  Deze drie gebieden waren ambtsgebieden van de drosten. Een drost is iemand die aan het hoofd van een gebied, zijn ambtsgebied staat. Salland, Twente en Vollenhove waren oorspronkelijk namen van drie drostambten. Zo’n drost is vergelijkbaar met een rentmeester of stadhouder.

De drost moest recht spreken. In tijden van oorlog moet hij de verdediging organiseren. Hij inde belastingen en tolgelden. Maar hij maakte ook vaak misbruik van zijn macht. Hij liet boeren onbetaalde herendiensten verrichtten, de beruchte en vaak vernederende drostendiensten. In 1795 hielden de drostambten van Overijssel als bestuurlijke eenheid op te bestaan.

 

De 3 Drostambtsgebieden van Overijssel.

 

Salland

Omstreeks 1800 bestond Salland nog uit woeste gronden. De steden en dorpen waren eilanden te midden de woestenij, bestaande uit heide- en veenvelden.

 

Salland rond 1800.

 

Omstreeks 1825 kwam er in Salland een einde aan de goede graanprijzen, dit vanwege de invoer van goedkopere granen uit de Oekraïne. Deze ontwikkeling leidde ertoe, dat de boeren zich meer gingen toeleggen op de productie van boter en vlees. Op het bouwland werden voedergewassen voor de koeien verbouwd. Door de grotere veestapel ontstond er meer mest waardoor meer ontginning van de woeste gronden mogelijk werd. Dit was de stimulans om de markegronden te verdelen. Een marke wordt gevormd door de boerenerven van de gemeenschap. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw kwam er een eind aan de kaalheid en woestheid. Door verdeling van de Markegronden kwam het onbebouwde gebied beschikbaar voor ontginningen. Voor de markeverdelingen tot ±1860 bepaalde de marke het gebruik van de grond. De heide leverde voedsel voor de schapen en plaggen voor het verzamelen van mest.
In de boerderijen van die tijd lag het gedeelte waar de koeien stonden lager dan het woongedeelte. De koeien werden elke nacht op stal gezet om mest op te sparen. Bij de koeien werd elke keer nieuwe plaggen neer gelegd totdat het niveau van de ‘plaggenvloer’ gelijk was met de vloer van het woongedeelte.

Ossewagens met mest.

 

De plaggen die doordrenkt waren met de mest en de gier van de koeien, werden op het land gebracht voor de bemesting. Door deze methode zijn sommige plaatsen zelfs een meter opgehoogd.

Dit intensieve bemestingsysteem leverde ook in Salland aanzienlijke hoeveelheden rogge en graan op die met de kar, maar ook per schip naar de markt in de stad vervoerd werden.

In tegenstelling tot de uitstekende waterbeheersing zoals wij die nu kennen, kon in vroeger eeuwen het water maar moeilijk wegstromen. Wanneer men in Overijssel richting het oosten trekt, dan stijgt de bodem langzaam, zodat het water naar het westen zou moeten afvloeien. Maar een aantal hoge en lage zandruggen die alle noord-zuid liggen, beletten dit. Het gevolg van deze zandruggen is dat veel beken noord-zuid stromen.

De beken en riviertjes stroomden niet tussen hoge oevers of dijken, maar in een zandige en losse bodem tussen veelal lage oevers. Het water schuurde de bedding gemakkelijk uit. Met name in de bochten sleet de bedding steeds verder uit. Het gevolg hiervan is dat er een bochtig verloop van het water ontstond. Men noemt dit meanderen.
Zo’n meanderend gedeelte betekende voor de schipper grote vertragingen. Niet alleen het bochtig verloop, maar ook de vele waterplanten (er werd vroeger nauwelijks onderhoud gepleegd) en de voorden zorgden voor de nodige problemen. Een voorde is een kunstmatig gevormde dam die dwars door het water liepen waarover de boeren met paard en wagen konden oversteken. Verder zorgden de vele vlashopen die lagen te rotten in de beken voor een langzame stroming van het water.

Door de slechte afwatering traden de beken en riviertjes gemakkelijk buiten hun oevers. Dit waren de winter- en zomervloeden. Alleen de reizigers leden onder de wintervloeden. De schipper kon juist goed varen, al was het wel moeilijk om de rivierbedding te volgen. Tevens zorgden de wintervloeden voor een laagje slib dat bijdroeg aan de noodzakelijke bemesting. Zomervloeden werden wel gevreesd. Dan liepen de gronden onder water waar de koeien liepen en werd de hooioogst bedreigd.

Toen Overijssel zich in de 17e en 18e eeuw herstelde van de tachtigjarige oorlog, ging de bevolking steeds meer nevenactiviteiten ontwikkelen. De bevolking nam toe waardoor er vele goedkope arbeidskrachten ontstonden. De boeren gingen steeds meer over tot huisnijverheid. De boer verbouwde vlas, dit werd door de boerenvrouw of knecht bewerkt en tot linnen verweven. De beste soort was voor de verkoop, de tweede soort voor eigen gebruik. Naast het weven werd er ook geld verdiend met klompen en schoenen maken en vervoer van goederen met paard en wagen.

  1795  /  Historie  /  Laatste update augustus 1, 2018 by admin  /  Tags: , ,